In het kort
- Het beleid met een grote nadruk op de bouw van appartementen in stedelijk gebied wordt ondersteund met een demografische benadering van de woningbehoefte (‘meer kleine huishoudens betekent meer behoefte aan appartementen’). Die benadering is te simpel voor de gevarieerde woonwensen van woningzoekenden.
- Er worden te weinig eengezinswoningen en groene woonmilieus gebouwd en gepland vergeleken met de woonwensen van Nederlanders nu en in de toekomst. In steden zijn ook veel nieuwe grondgebonden woningen gewenst vooral door jongere stellen. Gezinnen en ouderen zoeken appartementen vooral buiten de steden, omdat ze daar vaak al wonen. Bouwen op basis van die woonwensen levert ook veel doorstroming op, waarbij vaak goedkope huurappartementen vrijkomen voor een deel van de starters en ouderen.
- Het meer volgen van de woonwensen naar woonmilieu en woningtype met het woon- en verstedelijkingsbeleid hoeft onder voorwaarden geen belemmering te zijn voor zuinig ruimtegebruik. Wonen naar wens bevordert ook de gebruiksduurzaamheid van woning en woonmilieu.
Om maar meteen met de conclusie van ons laatste onderzoek te beginnen: we bouwen niet de woningen en woonmilieus die de Nederlandse woningzoekenden prefereren. En de kloof groeit. Zo worden er steeds meer en steeds kleinere appartementen gebouwd. Het aandeel bedraagt nu 60 procent van de totale nieuwbouw, oplopend naar 70 procent in de programmering voor de komende jaren. En dat terwijl de meeste woningzoekenden – zelfs ook een deel van de eenpersoonshuishoudens – nog steeds een eengezinswoning willen. Het blijkt daarbij dat mensen bij het aangeven van hun voorkeuren een realistisch beeld hebben, passend bij hun portemonnee; ze vragen niet om een woning-met-tuin op de Dam. Als we deze wensen willen volgen, zou het percentage appartementen in de nieuwbouw voor uitbreiding van de woningvoorraad moeten dalen naar 40 tot 50 procent. Daarbij houden we rekening met de bestaande voorraad eengezinswoningen, de groei van eenpersoonshuishoudens, de feitelijke verhuisbewegingen en met het feit dat de babyboomers (deels woonachtig in eengezinswoningen) langzaam maar zeker uitsterven.
Ook blijkt een mismatch te bestaan tussen de gerealiseerde en geplande woonmilieus. Volgens de Ontwerp-Nota Ruimte vindt de toekomstige gebiedsontwikkeling overwegend plaats in (hoog)stedelijke woonmilieus, namelijk 70 procent tot 2035 en 60 procent tot 2040. Indien we de woonwensen als uitgangspunt nemen, zou dat moeten verschuiven naar circa 35 procent. De meeste starters en doorstromers geven namelijk de voorkeur aan groene woonmilieus, zoals een suburbane woonomgeving. Ook woningmarktexpert prof. Peter Boelhouwer wees onlangs met nadruk op de groeiende mismatchtussen woonwensen en de feitelijke woningbouw en programmering.[1]
Wij hebben de bovenstaande woonwensen voor de woningen en de woongebieden geanalyseerd en ze vergeleken met het woningbouw- en ruimtelijke ordeningsbeleid van de rijksoverheid. Dat gebeurde op basis van het grote onafhankelijke, nationale WoON-onderzoek 2024, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VRO. Wij hebben ons verdiepingsonderzoek uitgevoerd in opdracht van NEPROM en WoningbouwersNL en lichten in dit artikel de belangrijkste conclusies nader toe.[2]
Demografische benadering is te simpel
De demografische benadering van de toekomstige woningmarkt en nieuwbouwvraag is tamelijk dominant onder deskundigen en beleidsmakers. Het toekomstbeeld richting 2050 van ABN AMRO Bank[3] is hiervoor illustratief: het aantal eenpersoons oudere huishoudens neemt vooral toe en die verdwijnen door overlijden van de woningmarkt. Daardoor komen veel eengezinswoningen vrij. Daarvoor zijn er dan (demografisch gezien) onvoldoende extra aantallen meerpersoonshuishoudens bijgekomen om al die leegkomende huizen te betrekken. Gevolg, aldus de bank: we zitten dan tegen 2050 met een teveel aan grote en dure eengezinswoningen of te wel we hebben dan veel te veel ‘woonmeters’. Er kan nu wel vraag naar nieuwbouw van eengezinswoningen zijn, maar de bouw van kleine appartementen is beter voor een toekomstbestendige woningvoorraad, die meer en meer bewoond zal worden door stedelijke alleenstaanden.[4]
Een dergelijk demografisch ingestoken verhaal voor de toekomstige woningmarkt met een één op één vertaling van een huishoudenstype naar slechts één doelgroep (met maar één type woonwens) is echter veel te simpel. Deze ‘hoogstedelijke‘ invulling van de woningbehoefte en de woningbouwopgave (met steeds meer en hogere hoogbouw) is gebaseerd op drie hardnekkige misvattingen over de woningmarkt die wij, opnieuw, in ons onderzoek blootleggen:
- Misverstand 1: Het fors toenemende aantal 65-plussers woont vaak in een te grote eengezinswoningen. Zij willen verhuizen naar een kleinere woning, meestal een appartement en bij voorkeur in een stedelijke omgeving.
- Misverstand 2. Als 65-plussers doorstromen naar ‘stedelijke’ appartementen (of verder in de toekomst overlijden) komen er voldoende eengezinswoningen in de bestaande woningvoorraad vrij om in de behoefte van (jonge) gezinnen te voorzien. Er hoeven dan ook nauwelijks nieuwe eengezinswoningen in ‘de wei’ te worden bijgebouwd.
- Misverstand 3. Starters willen vooral wonen in goedkopere appartementen in stedelijke woonmilieus.
Uit onze eigen analyse van het WoON2024 blijkt, dat dit juist niét is wat Nederlanders willen, nu niet en in de toekomst niet.
Werkelijke wensen ouderen
Hoe zit het in de praktijk met de woonwensen van ouderen? Welnu, de groep (alleenstaande) 65-plussers groeit weliswaar fors, maar die woont meestal al naar wens. De verhuisgeneigdheid van 65-plussers is en blijft daarom laag. 65-plussers hebben maar een aandeel van 12 procent in de groep met actief woningzoekenden. Starters hebben daarin een aandeel van 35 procent en de ‘jongere doorstromers onder de 65’ (vaak gezinnen) vormen met 53 procent de grootste zoekersdoelgroep op de woningmarkt. Actief verhuisgeneigde 65-plussers maken dan ook de facto veel te weinig eengezinswoningen vrij voor de grote vraag van jongere doorstromers en een deel van de starters. Een deel van de verhuisgeneigde 65-plussers zoekt bovendien ook een eengezinswoning (ongeveer 25 procent) én een deel woont nu al in appartement (circa 25 procent)! Daarom moeten twee oudere huishoudens verhuizen om één bestaande eengezinswoning vrij te maken.
De nieuwbouwvraag (exclusief vervanging) bestaat voor Nederland als geheel voor 50 procent uit eengezinswoningen (56 procent tot 2040). Het betreft vooral de vraag van gezinnen, maar voor een deel ook die van 65-plussers (25 procent) en starters (40 procent).[5] Starters willen bovendien voor circa 40 procent niet sterk-stedelijk wonen. Ook de meeste ouderen wonen en zoeken hun nieuwe woning in minder stedelijke gemeenten.

Verder bestaat er in de markt een onderschatte vraag naar grondgebonden (stads-)woningen in binnenstedelijke milieus (vooral van jongere doorstromers) en appartementen in groene woonmilieus (vooral van ouderen). Daarbij is uiteraard rekening gehouden met de samenstelling van de bestaande woningvoorraad en de demografische ontwikkeling.[6] De nieuwbouwplannen voor de komende jaren komen daarentegen neer op 28 procent eengezinswoningen en 72 procent appartementen. Dat staat dus haaks op de woonwensen van Nederlanders.
Doorstroming maakt woningen vrij
Met een woningbouwprogramma in de gewenste prijsklassen naar woningtypen en woonmilieus komt de optimale doorstroming wel degelijk tot stand.

Bij de bouw van voldoende eengezinswoningen (vooral in de koopsector) komen dan namelijk veel goedkope(re) huurwoningen in de bestaande woningvoorraad vrij voor woningzoekenden met lagere inkomens. Een beleidsaccent op middenhuur is in dit verband niet nodig; de nieuwbouwbehoefte aan goedkope en middeldure koop is veel groter. Een herijking van de huidige woningprogrammering die inzet op 30 procent sociaal en 2/3 betaalbaar – zoals recent nog is vastgelegd in de Wet regie versterking volkshuisvesting – is aan te bevelen, mede voor de verbetering van de financiële haalbaarheid van het programma. Veel verhuisgeneigden kunnen meer betalen dan zij wensen. Volgens hun ‘bestedingsruimte’ is de uitbreidingsbehoefte van nieuwe woningen maar voor 53 procent gericht op het betaalbare segment, waaronder slechts 10 procent sociale huur. [7] Volgens een ABF-raming neemt bovendien op middellange termijn (na 2030) de behoefte aan toevoeging van sociale huurwoningen en middeldure woningen af. De behoefte aan dure (koop) woningen neemt dan juist toe (40 procent of meer).
Tabel 1 Nieuwbouwbehoefte volgens WoON2024 (uitbreiding voorraad)) en met benadering Bestedingsruimte RIGO en totale nieuwbouwraming ABF 2025-2040 (inclusief vervanging voor sloop, waarvan meeste sociale huur)
| WoON2024 | WoON 2024 Bestedingsruimte | ABF 2040 laag | ABF 2040 midden | ABF 2040 hoog | |
| Sociale huur 1) | 32% | 10% | 33% | 29% | 23% |
| Middenhuur | 5% | 14% | 7% | 7% | 4% |
| Betaalbare koop | 34% | 29% | 22% | 24% | 28% |
| Dure koop en vrije sector huur | 29% | 47% | 38% | 40% | 45% |
| totaal | 100% | 100% | 100% | 100% |
Bron: WoON2024, RIGO en ABF Woningmarktverkenning 2025-2040 (naar netto inkomensontwikkeling laag, midden en hoog) 1) Bij de raming van ABF is maar circa 5% sociale huur van de totale nieuwbouw voor uitbreiding voorraad sociale huur. Het merendeel sociale huur nieuwbouw is voor vervanging door sloop, verkoop sociale huur en in vrije sector brengen van bestaande sociale huur door huurverhogingen (corporatiebeleid).
Woonwensen weinig relevant in beleid
We doen dit onderzoek nu voor de derde achtereenvolgende maal. De eerdere rapporten verschenen in 2019 en in 2022, steeds als een verdieping van een nieuwe editie van het WoON-onderzoek dat om drie jaar wordt uitgevoerd.[8] Onze onderzoeksresultaten en beleidsaanbevelingen liggen steeds dezelfde lijn: we bouwen te weinig grondgebonden woningen en te weinig groene woonmilieus.
Over de vraag of onze eerdere twee rapportages doorwerking in het beleid hebben gekregen, kunnen we kort zijn: dat hebben ze niet. Dat hangt onder meer samen met het gebrek aan interesse dat het ministerie van VRO telkenmale aan de dag legt voor de vraag hoe Nederlanders willen wonen. Beleidsmatig doet Den Haag er (dus) ook niets mee – en dat terwijl het WoON-onderzoek hierover een schat aan gegevens bevat. Het woon- en verstedelijkingsbeleid, onder meer verankerd in Woondeals en in de Ontwerp-Nota Ruimte, is gebaseerd op andere factoren dan de woonwensen van de mensen ten aanzien van woningtype en woonmilieu. In het rijkswoonbeleid zijn deze twee kwalitatieve woonwensen na 2010 zonder enige motivering verdwenen. Wat bleef is de aandacht voor de kwantitatieve opgave in woningaantallen en de kwalitatieve aspecten betaalbaarheid, ouderenhuisvesting en kansarme groepen. Het woonbeleid ten aanzien van woningtype en woonwensen is tevens ondergeschikt geraakt aan een eis van zuinig ruimtegebruik van de ruimtelijke ordening, en wel concreet: eerst bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (Ladder voor duurzame verstedelijking).
Betaalbaarheid, beschikbaarheid, woningtype en woonmilieu zijn belangrijke aspecten van de woonwensen. Het ene sluit het andere ook zeker niet uit. Ten tijde van het Vinex-beleid (1995-2005) werd aan al die wensen tegemoet gekomen. Van de kwantitatieve opgave bestond 70 procent uit (vaak grote) uitleglocaties, aan of nabij de steden. De differentiatie kreeg een verdeling van 30 procent sociaal, 40 procent middensegment en 30 procent duur. De gewenste woningbouw in stadsgewesten kwam de eerste jaren niet geheel tijdig beschikbaar. Maar over tien jaar bezien is het uiteindelijk, mede door het bouwen op grote uitleglocaties en de woningbouw buiten de stadsgewesten, wel gelukt de opgave te realiseren.
Minder gewicht binnenstedelijk bouwen
De afgelopen jaren is het aandeel binnenstedelijke woningbouw alleen maar toegenomen (met veel appartementen voor zuinig ruimtegebruik, om zo het land zoveel mogelijk open te houden). In de VINEX-periode 1995-2005 werd ongeveer 30 procent binnenstedelijk gebouwd. In 2022 bedroeg het aandeel binnenstedelijke nieuwbouwbouw 62 procent en in 2024 is dat opgelopen tot 70 procent. Volgens de huidige plancapaciteit zal het aandeel van de bouw binnen bestaand stedelijk gebied de komende jaren verder toenemen, tot 72 procent. Het aandeel nieuwe groene woonmilieus aan de rand van steden of in of bij dorpen is daarmee de afgelopen jaren fors afgenomen. En dat zal ook met de Ontwerp-Nota Ruimte tot 2035 ongeveer zo blijven, gezien het handhaven van de bestaande woningbouwplannen en de lange doorlooptijden om nieuwe locaties te ontwikkelen. Dit is niet in lijn met de woonwensen van alle actief-woningzoekenden in ons land, die opgeteld neerkomen op een behoefte van circa 65 procent aan groene woonmilieus.
Hoewel de Ontwerp Nota Ruimte ook geen gebruik heeft gemaakt van het WoON 20024 en de woningbehoefte maar zeer sporadisch aan de orde komt, is er toch sprake van meer ruimte voor groene woonmilieus in het beleidsvoornemen.[9]Voor de lange termijn komt er meer ruimte voor grotere uitleglocaties en op de kortere termijn kan al met ‘een wijkje erbij’ bij iedere woonplaats (200 woningen maximaal per wijk) worden begonnen. De voormalig minister Hugo de Jonge (CDA) zocht enkele jaren geleden al naar grote locaties voor groene milieus bij en verder buiten de steden, met name om de voortgang van de woningbouw te bespoedigen. In de ontwerp Nota Ruimte van 2025 geeft oud-minister Mona Keijzer (BBB) daar locaties voor aan, maar zoals gezegd is dat vooral voor de langere termijn. Met name voor de gestelde opgave van 650.000 woningen in 2035-2050 worden 127 nieuwe locaties verspreid over het land toegevoegd, die al voor 2035 met de bouw moeten starten. Dit zijn echter niet allemaal groene uitleglocaties, maar ook binnenstedelijke locaties (zoals spoorzones). Het ‘straatje erbij’ tot 50 woningen in regio’s met ‘beperkte’ behoefte is uitgebreid met een ‘straatje erbinnen’ (binnen de bestaande kern) en in iedere woonplaats (dat zijn er ruim 2.500) mag het straatje erbij er ook een ‘wijkje erbij’ tot maximaal 100 woningen zijn. Een aangenomen motie in de Tweede Kamer vraagt om dit te verhogen tot maximaal 200 woningen. In potentie biedt ‘het wijkje erbij’ ruimte voor veel kleinschalige woningbouw. En die wijkjes zijn eerder te realiseren dan nieuwe grote uitleglocaties. Voor uitleglocaties van klein tot groot geldt ook dat de Ladder voor Duurzame verstedelijking voor woningbouw niet meer van toepassing is (bepaald in de Wet versterking regie volkshuisvesting).
Naast de bestaande 17 nationale grote woningbouwgebieden worden er ook extra gebieden aangewezen. Dit gebeurt mede om de realisatie meer zeker te stellen van de opgave tot 2035 met al bestaande, vooral binnenstedelijke plannen met appartementen.[10] Met deze nieuwe locatieprogrammering voor de gestelde opgave (1,65 miljoen woningen van 2025 tot 2050) daalt het aandeel binnenstedelijke woningbouw van 72 naar 60 procent. Het aandeel uitleglocaties neemt dan toe van 28 naar 40 procent. Volgens onze eerdere analyses van WoON was er in 2018 60% behoefte aan groene milieus en in 2021 zelfs 70%. Met een interpretatie van de beschikbare data van het WoON2024 komen wij nu op circa 65% uit. Conclusie: de Ontwerp-Nota Ruimte biedt wel meer ruimte op kleine en grotere uitleglocaties voor groene woonmilieus, maar volgens de Nederlandse woningzoekenden is dat nu en dan nog steeds veel te laag.
Open ruimte sparen valt tegen
De bouw van meer eengezinswoningen en de ontwikkeling van meer uitleglocaties: het zal sommigen tegenstaan, omdat zij dit niet zien als zuinig ruimtegebruik. Volgens deze vakgenoten is dit juist wel het geval bij de binnenstedelijke bouw van appartementen. Binnenstedelijke appartementenbouw is per saldo echter niet identiek met zuinig ruimtegebruik (bedoeld om het landelijk gebied open te houden). In onze studie ‘Woningbouw-opgave 2030: maak de mix’ is dat een belangrijke bevinding.[11]
Stedelijke woningdichtheden zijn niet alleen met appartementen te realiseren. Onze compacte historische binnensteden bestaan vooral uit stadshuizen. Bij 75 woningen per ha is in allerlei differentiaties te bouwen, zelfs met alleen grondgebonden woningen. Het gemiddelde stedelijk appartement neemt dus niet per se minder grondoppervlak in dan een eengezins(stads)woning. Bovendien worden bij binnenstedelijke woningbouw neveneffecten met extra ruimtebeslag buiten de ‘rekensom’ gelaten. Bij ‘versleten’ bedrijventerreinen worden bijvoorbeeld veel bedrijven verplaatst naar andere locaties, vaak nieuwe uitleglocaties, buiten de stad. Dat beslag op de open ruimte buiten de stad wordt dan niet meegenomen in de redenering. Dat geldt ook voor andere stedelijke functies die moeten wijken voor binnenstedelijke woningbouw, zoals bestaande openbare ruimte (groen en infra), sportvelden, volkstuinen en kantoorhuisvesting. Binnenstedelijke verdichting bevordert niet in de laatste plaats ‘compensatiegedrag’. Menige stadsbewoner houdt er een buitenhuis op na (van stacaravan of volkstuinhuisje tot en met recreatiewoning en tweede huis). Ook dit compenserend ruimtebeslag buiten de stad telt niet mee in de redenering.
In dit verband wijzen we erop dat het ruimtelijk beleid eveneens uit balans is. Dit beleid meet de afgelopen jaren met verschillende maten: het wonen moet per se binnenstedelijk gebeuren, terwijl andere functies volop ‘de ruimte krijgen’ in het buitengebied, zoals XL-dozen voor logistieke bedrijven, mega-windmolens en dito zonneweides. In de praktijk van binnenstedelijke woningbouw raken de recreatieve functies, maar ook de bedrijven meer gespreid, buiten het stedelijk veld. Dat bevordert weer de (auto-)mobiliteit. In een evaluerende studie naar het VINEX-beleid van het Ruimtelijk Planbureau (thans: PBL) wordt niet voor niets geconcludeerd dat het mobiliteitsargument tegen uitbreiding van de woningvoorraad in het buitengebied dan ook een ondergeschikte rol in de discussie over groen en stedelijk wonen dient te spelen.[12]
Zuinig ruimtegebruik bij het wonen toont zich ook op een andere manier: in Nederland wordt het meest efficiënt verkaveld vergeleken met andere Europese landen.[13] En dat voor een land met een groot aandeel eengezinswoningen. En meer wonen naar wens bevordert tenslotte ook de gebruiksduurzaamheid van woning en woonmilieu.
Graag de feiten op tafel
Met onze analyse van de woonwensen hebben we aangetoond dat de onderbouwing van het beleid voor binnenstedelijke woningbouw (met veel appartementen) te simpel is, met een demografische benadering van de woningbehoefte naar type woning en woonmilieu. Dit doet geen recht aan de gevarieerde woonwensen van Nederlandse woningzoekenden – nu en in de toekomst. Voor de afweging tussen binnen- en buitenstedelijke woningbouw zijn ook verschillende andere aspecten aangestipt. Veel van die aspecten (ook het verlies aan open ruimte in en buiten de stad) zijn meegenomen in diverse maatschappelijke kosten-baten analyses. De studies zijn niet heel recent.[14] Dat zegt ons genoeg; adequate, actuele onderzoeken ontbreken grotendeels en dat geeft het ‘wensdenken’ ruim baan. Een mix van binnenstedelijk bouwen (ook met een deel laagbouw) met het bouwen in uitleggebieden in de invloedssfeer van de stedelijke regio’s is veel meer in lijn met de woonwensen (naar type woning en woonmilieu). En een dergelijke programmering levert waarschijnlijk tevens de meest gunstige maatschappelijk kosten-baten saldo op.[15]
Wij beseffen terdege dat dringende publieke belangen een afwijking van de woonwensen kunnen rechtvaardigen, zoals het onbebouwd houden van waardevolle groene gebieden, de betaalbaarheid van het wonen, de financiële haalbaarheid van plannen, het realiseren van grootstedelijke allure en het mobiliteitsbeleid. Het debat en de belangenafweging behoren dan wel gevoerd te worden met álle feiten op tafel. Het negeren van deugdelijk onderzoeksmateriaal over hoe Nederlanders willen wonen, past daar niet in.
Uiteraard is de invulling en uitwerking van de verstedelijkings– en het woningbouwbeleid in hoofdzaak de opgave van gemeenten met hun lokale partners. Maar de oorverdovende afwezigheid van de rijksoverheid op dit dossier valt daarmee niet te rechtvaardigen. En het is niet te rijmen met de ‘regierol’ die het Rijk – op zich terecht – claimt bij de aanpak van het woonvraagstuk. Slotwoord: we gaan zien of voor de derde keer het scheepsrecht geldt. En het ministerie van VRO de duidelijke signalen – van ons, maar ook van andere experts, zoals Boelhouwer – nu wél oppikt.
Beeld header: woningbouw Hogekwartier Amersfoort. Foto: Choinowski, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons.
Noten
[1] https://www.bnr.nl/nieuws/bouw-infrastructuur/10599335/opmars-van-kleine-appartementen-zorgt-voor-mismatch-er-gaat-echt-iets-mis; zie ook Woningbouwers.nl, Thermometer koopwoningen najaar 2026, https://woningbouwersnl.nl/thermometer-koopwoningen-najaar-2026/
[2] https://woningbouwersnl.nl/woonvraag-wijkt-af-van-uitgangspunten-woningbouwbeleid-blijkt-uit-nieuwe-onderzoeken/
[3] https://www.abnamro.nl/nl/zakelijk/insights/sectoren-en-trends/real-estate/te-veel-eengezinswoningen-voor-te-weinig-gezinnen.html
[4] Onderzoekers S. Groot en C. de Groot (RABO) verwachten eerder dat in een ruimte regionale woningmarkt in de periferie woningzoekenden hun woonsituatie makkelijker kunnen verbeteren en dat dan de woningen met zwakste kwaliteiten door de mand vallen: kleine verouderde appartementen op slechte locaties. Zie: https://www.rabobank.nl/kennis/d011541448-nuances-bij-zeven-veronderstellingen-over-het-nederlandse-woningtekort
[5] Zie ook het onderzoek van S. Groot en C. de Groot, https://www.rabobank.nl/kennis/d011541448-nuances-bij-zeven-veronderstellingen-over-het-nederlandse-woningtekort Zij tonen aan dat lang niet alle alleenstaanden een expliciete voorkeur voor een appartement of een kleine woning hebben anders dan hun feitelijke woonsituatie suggereert.
[6] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/10/30/eindrapport-abf-woningmarktverkenning-2025-2040
[7] Zie ook RIGO, De woningbehoefte anders benaderd, maart 2026. https://www.neprom.nl/artikel/woonvraag-wijkt-af-van-uitgangspunten-woningbouwbeleid-blijkt-uit-nieuwe-onderzoeken/2871
[8] https://www.gebiedsontwikkeling.nu/artikelen/stop-met-de-fixatie-op-binnenstedelijke-appartementen/ https://www.gebiedsontwikkeling.nu/artikelen/zo-willen-nederlanders-werkelijk-wonen-tussen-beeldvorming-en-realiteit/
[9] Ministerie van VRO, Ontwerp Nota Ruimte, Den Haag, september 2025 (blz. 32, 293-304)
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/09/26/ontwerp-nota-ruimte-webversie
De ontwerp Nota ruimte is weinig onderbouwd. Er is geen verwijzing naar achterliggend onderzoek te vinden. Op welke prognose van huishoudens de aangenomen woningbehoefte tot 2050 is gebaseerd valt zo niet te achterhalen. En enige verwijzing naar onderzoek naar kwalitatieve woningbehoeften ontbreekt ook. De (toekomstige) behoefte aan woonmilieu-typen en woningtypen is geen onderwerp in de Nota.
[10] In de ontwerp Nota Ruimte zijn vier gemeenten tot nationale woningbouwlocatie benoemd: Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede. In augustus 2026 heeft minister Boekholt-O’Sullivan vijf nieuwe aangewezen, waar niet direct (extra) rijksgeld voor nodig is: Haarlem, Deventer, Weert, Maastricht en Leeuwarden. De locaties zijn al in de aantallen verwerkt, er komt alleen meer rijks ‘aandacht’ voor. Dit najaar worden nog vijf andere locaties aangewezen, zodat het totaal op 31 nationale woningbouwgebieden komt.
[11] Friso de Zeeuw, met medewerking van Geurt Keers, Woningbouwopgave tot 2030: maak de mix, 27 oktober 2020, voor een hoorzitting van een Tweede Kamer commissie over binnen- en buitenstedelijk bouwen.
[12] RPB (PBL), Nieuwbouw in beweging – een analyse van het ruimtelijk mobiliteitsbeleid van VINEX, Den Haag, 2005.
[13] Zie F. de Zeeuw en Geurt Keers, We wonen helemaal niet te groot en verkavelen uiterst efficiënt, 14 augustus 2026. https://www.gebiedsontwikkeling.nu/artikelen/we-wonen-helemaal-niet-te-groot-en-verkavelen-uiterst efficient/
[14] Eisen waar nieuwe uitleglocaties in of nabij stedelijke regio’s aan moeten voldoen: – energieneutraal en klimaatadaptief; bijdragend aan biodiversiteit (natuurinclusief); – excellente verweving met het omringende landschap; – gunstig mobiliteitsprofiel (geen ‘autolocatie’); – bereikbare voorzieningen (binnen en/of buiten het nieuwe woongebied). Zie voorbeelden als Gnephoek (Alphen a/d Rijn), Rijnenburg (Utrecht) en Weespersluis (Weesp).
[15] Friso de Zeeuw, met medewerking van Geurt Keers, Woningbouwopgave tot 2030: maak de mix, 27 oktober 2020, voor een hoorzitting van een Tweede Kamer commissie over binnen- en buitenstedelijk bouwen. Na 2020 zijn er weinig studies in deze sfeer verricht. Zie o.a. de literatuuropgave in: SEO, Maatschappelijke kostenbatenanalyse en ruimtelijke ordening: hoe kan het beter?, Amsterdam, 2024. ; en CBS Grote verschillen tussen binnen- en buitenstedelijke nieuwbouwwoningen, december 2025.