Als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zie ik dagelijks hoe de wooncrisis het leven van mensen raakt. Jonge stellen die een fijn huis zoeken om hun leven en gezin op te bouwen. Ouderen die naar een passende woning in een geschikte omgeving willen verhuizen. Studenten die op zoek zijn naar een kamer in een van onze brainports.
Hardwerkende mede-Europeanen die hun schouders onder onze economie zetten en deel willen zijn van onze samenleving. Ik zie ook hoe hard iedereen zich ervoor inzet om uit de wooncrisis te komen. Architecten, ontwikkelaars, bouwers. Woningcorporaties, provincies, gemeenten. Mensen uit het onderwijs, de zorg en het sociaal domein. En ook bewoners zelf ondernemen actie, bijvoorbeeld door een wooncoöperatie te starten. Alleen samen kunnen we het grote woningtekort inlopen.
Als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ben ik me ook, met gepaste trots, bewust van de rijke Nederlandse traditie op het gebied van de volkshuisvesting. Hoe na de industriële revolutie de eerste verlichte geesten zich inspanden voor fatsoenlijke woningen voor fabrieksarbeiders, met het oog op de volksgezondheid, de samenlevingsopbouw en maatschappelijke stabiliteit. Hoe – dit jaar exact 125 jaar geleden – de Woningwet tot stand kwam, waardoor kleine private initiatieven pareltjes van woonwijken konden bouwen, die we nu terecht als monumenten zien.

De periode van de wederopbouw, de grote nota’s volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, de groeikernen en de stadsvernieuwing, waarmee we ons land opnieuw vormgaven en in een ongekend tempo, in serieproductie, moderne woningen bouwden. En de periode waarin de wensen van de woonconsument meer centraal kwamen te staan en het zoeken naar een nieuwe balans tussen staatssturing, markt en middenveld. De kredietcrisis, de ontwikkelingen in Europa en de razendsnelle oploop van de schaarste en de huizenprijzen die daarop volgde. En nu, de afgelopen jaren, waarin we met de neus op de feiten worden gedrukt en zien dat wonen meer is dan een stapel stenen, meer dan een verzameling marktprincipes, overheidsregels en onderhandelingen tussen sectorpartijen.
Wonen is het fundament onder mensenlevens en onze maatschappij. Daar ben ik me van bewust, iedere keer als ik een bouwproject bezoek, een MBO Techniek, een gesprek heb met ouderen of jongeren over hun woonwensen en -problemen, nieuwe grootschalige locaties aanwijs of met de Kamer debatteer. Het is een grote eer en tegelijkertijd een enorme verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de koers van de volkshuisvesting, die – net als in ons rijke volkshuisvestingsverleden – keer op keer wordt bijgesteld aan de eisen van de huidige tijd en maatschappij.
Mijn voorgangers hoefden dat niet alleen te doen. Altijd was er een levendige professionele gemeenschap rondom bouwen en wonen. Een creatieve en innovatieve biotoop van kennis- en onderzoeksinstellingen, beroepsverengingen, belangenvertegenwoordigers van alle bloedgroepen, spraakmakende politici, controversiële maatschappelijke bewegingen die het debat stimuleerden en loyale en deskundige ambtenaren om al deze verschillende perspectieven in haalbaar en effectief beleid om te zetten.
En altijd had die gemeenschap een medium, een blad, een plek waar al die discussies samenkwamen. Vanaf 1920 al was dat Tijdschrift voor de Volkshuisvesting, dat via een doorstart in Ruimte + Wonen nu verder voortleeft als De Volkshuisvester: een maatschappelijk relevant platform voor inhoudelijke verdieping en discussie over de toekomstige koers van de volkshuisvesting. Graag wil ik iedereen die zich betrokken voelt bij de huidige uitdagingen in het wonen, van harte aanbevelen om bij te dragen aan dit nieuwe platform met scherpe betogen, felle discussies, vernieuwende onderzoeken, podcasts, videoreportages of in welke vorm dan ook.
Want we moeten echt samen aan de slag voor de volkshuisvesting.
Foto: minister Elanor Boekvelt-O’Sullivan (VRO) [Martijn Beekman/Rijksoverheid].