Wouter Beekers publiceerde eerder dit jaar het boek ‘Wonen, wonen, wonen. Geschiedenis van de volkshuisvesting in Nederland’. Een persoonlijk verhaal over hoe de volkshuisvesting zich vanaf het midden van de 19de eeuw in ons land heeft ontwikkeld. In dit essay zet hij de belangrijkste conclusies op een rij, met deze voorop: er moet weer verbinding ontstaan tussen het ‘volk’ en de ‘huisvesters’. Hoe kan de kloof worden gedicht?
In het kort
- De kracht van de volkshuisvesting ligt van oudsher in de verbinding tussen huisvesters, huurders en woningzoekenden.
- Volkshuisvesting lijdt aan de tragiek van sociale bewegingen: als ze hun werk goed doen, gaan ze aan hun eigen succes ten onder.
- Experimenten hoe we de volkshuisvesting weer maatschappelijk verankeren dragen niet alleen bij aan de volkshuisvesting. Ze komen ten goede aan de gehele samenleving.
Je zou het de tragiek van sociale bewegingen kunnen noemen: als ze hun werk goed doen gaan ze aan hun eigen succes ten onder. In een notendop is dat ook het verhaal van de volkshuisvesting. Gezamenlijke actie wordt uit nood geboren. Maar zulke actie wordt langzamerhand eigenlijk altijd een verhaal van instituties. Zo hebben woningbouwverenigingen, ontstaan in de strijd van huurders en woningzoekenden tegen een tekort aan goede en betaalbare huizen, zich ontwikkeld tot corporaties. Als bedrijven beheren zij een collectief goed, met huurders als hun ‘consumenten’. Dat is tragisch, gezien de grote maatschappelijke vraagstukken van vandaag. Het is naar mijn idee hard nodig dat er weer verbinding ontstaat tussen het ‘volk’ en de ‘huisvesters’. En er is hoop. De volkshuisvesting kan nieuw leven ingeblazen worden. Maar dat begint wel bij een serieuze erkenning van de ontstane kloof.
Wij volkshuisvesters
Het verhaal van de volkshuisvesting laat zich vertellen als een drama in drie bedrijven, als ware het een theaterstuk. Het decor van het eerste bedrijf is een smoezelig café in het negentiende-eeuwse Amsterdam. Op het toneel verschijnt Klaas Ris, een molenaarsknecht die niet zomaar genoegen neemt met zijn armoedige leven. Hij heeft het socialisme ontdekt en de stad behangen met pamfletten. Ris wil namelijk een arbeiderscoöperatie beginnen die zelf sociale huurwoningen gaat bouwen. De avond begint in gespannen stilte. Maar dan melden zich de eerste belangstellenden: enkelingen, tientallen, honderden. Ris spreekt hen toe en krijgt applaus. In het publiek gaat de aanmeldingslijst rond. Bij gebrek aan tafels schrijft men de namen op elkaars rug.

Gracht met zicht op korenmetershuisje – Amsterdam. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons.
Deze honderden woningzoekenden leggen wekelijks ieder een dubbeltje in. Binnen twee jaar worden de eerste ‘dubbeltjeswoningen’ gebouwd. Ze staan er overigens nog altijd, aan de Mauritskade. Zo wordt de coöperatie een vereniging van woningzoekenden én huurders. Het gaat Klaas Ris nog niet snel genoeg. Hij beklimt het spreekgestoelte weer en pleit voor overheidssteun voor arbeiderswoningen. Weer krijgt hij honderden mensen in beweging, ditmaal om op te trekken naar het grachtenpand waar de Amsterdamse burgemeester zijn thuis heeft. Toch wat onder de indruk geeft deze uiteindelijk toe. De burgemeester vraagt de Amsterdamse bankier Nicolaas Pierson een plan uit te werken. Vijfentwintig jaar lang experimenteert Nicolaas Pierson met gemeentelijke steun voor sociale woningbouw. Als hij dan minister-president wordt, vertaalt hij zijn lessen in een Woningwet. Het is dit jaar precies 125 jaar geleden dat deze door de Tweede Kamer wordt aangenomen.

Portret van Nicolaas Gerard Pierson. Rijksmuseum, CC0, via Wikimedia Commons.
De Nederlandse volkshuisvesting is geboren. De hoofdrol is niet weggelegd voor gemeentelijke woningbedrijven of commerciële bouwers, maar voor verenigingen. Meer dan duizend van die verenigingen ontstaan, overal in het land. In dampende zaaltjes overleggen gegoede burgers, huurders en woningzoekenden over moeilijke afwegingen. Investeren we in nieuwe woningen, onderhoudsbeurten, wijkvoorzieningen of juist in lage huren? De woningverenigingen zijn leerscholen voor de democratie. Er wordt geluisterd, compromissen gesloten. De sociale woningbouw krijgt een grote maatschappelijke betekenis.
Van krot tot Vinex
Het tweede bedrijf van het verhaal is al eens prachtig verteld door Mariëlle Tweebeeke, in de vierdelige TV-serie ‘Van krot tot Vinex’. Een treffende titel, want aan het begin van de twintigste eeuw is Nederland nog een krottenland. Op het platteland leven landarbeiders in armzalige plaggenhutten, waar ze slapen op wat stro. Velen trekken naar de steden, waar werk is in de nieuwe fabrieken. Maar de steden zijn niet gebouwd op deze toestroom en de woningnood is groot. Gezinnen met gemiddeld acht leden leven in woningen van vier bij vijf meter. Vaders, moeders en kinderen slapen rechtop zittend in een bedstee. Het jongste kindje ligt vaak ‘ondergeschoven’ in de la. Er zijn geen keukens, toiletten of stromend water, laat staan badkamers of warm water. En zo heel lang geleden is dit allemaal niet. Historicus Auke van der Woud vertelde bijvoorbeeld dat hij in het Friese Sneek van de jaren 50 van de vorige eeuw als jongetje nog door dit soort krottenwijken struinde. Het is in diezelfde jaren 50 dat de overheid begint door te pakken, nadat de Tweede Wereldoorlog de nood nog verergerd heeft. Jaar op jaar wordt bijna tien procent van de belastingcenten besteed aan het bouwen van nieuwe woningen.

Zwolle, Dieze – Hogenkampsweg. Onderwijsgek at nl.wikipedia, CC BY-SA 2.5 NL https://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.5/nl/deed.en, via Wikimedia Commons
Stedenbouwkundigen en architecten willen in hun ontwerpen bouwen aan de samenleving. Na de tuindorpen volgt de wijkgedachte. Rijtjeshuizen, bloemkoolbuurten en later de Vinexwijken verrijzen. Het zijn buurten gebouwd rondom gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een basisschool en de buurtsuper. Het zijn woningen met spouwmuren, ramen met dubbelglas, badkamers met een douche. De bewoners komen er met wasmachines, koelkasten, radio’s en later tv’s. De woningbouwverenigingen leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Aan het einde van de twintigste eeuw huisvesten zij ongeveer veertig procent van de bevolking, ruim vijf miljoen mensen.
Moe van actieve huurders
In het derde bedrijf schrijf ik mezelf graag even in het verhaal. Ik ben geboren in een van die fijne bloemkoolwijken. De achterdeur staat altijd open. Voor hangt overdag het touwtje uit de brievenbus. We huren van Woningvereniging Nijmegen. Mijn ouders geven daar weinig om en dat gebrek aan belangstelling blijkt wederzijds. Iemand van de vereniging hebben we nooit gezien.
Als jonge twintiger begin ik een studie geschiedenis en stuit bij toeval op de weinig beschreven geschiedenis van de volkshuisvesting. Ik kan reconstrueren dat de woningcorporaties al in de jaren 50 bezorgd spreken over het feit dat ledenvergaderingen niet meer worden bezocht. Ze signaleren consumentengedrag bij hun huurders. En van de weeromstuit beginnen ze zichzelf ‘ondernemers’ te noemen. De term neoliberalisme kent dan nog niemand. Een goede verstandhouding tussen de ondernemers en de consumenten is niet snel gevonden. Woningcorporaties worden vaak moe van actieve huurders: ‘Het is niet goed of het deugt niet’. Actieve huurders lopen aan tegen arrogantie: ‘Alsof de volkshuisvesting van meneer de directeur is.’ De verwijdering wordt een kloof en die kloof heeft grote gevolgen. Aan het einde van de twintigste eeuw hebben de woningcorporaties niet veel vrienden meer over in de samenleving. En ook niet in de regering. Staatssecretaris Enneüs Heerma draait de subsidiekraan dicht. Wouter Bos bedenkt een winstbelasting. En Stef Blok voegt daar een Verhuurderheffing aan toe. Het Malieveld blijft leeg.
Uitbesteding van de solidariteit
De maatschappelijke kant van het verhaal boeit me steeds meer. Armoede leidt tot gezamenlijke actie, maar als de actie succes heeft, komt de gezamenlijkheid onder druk te staan. Op de radio hoor ik socioloog Daniel Paarlberg, auteur van het recente boek De Grondleggers, het onwaarschijnlijke verhaal van Nederland. Hij maakt een paar rake opmerkingen over deze dynamiek. Niet toevallig kent juist Nederland een sterk ontwikkeld poldermodel. Het droogleggen, met dijken en molens, kanalen en sluizen, dat kunnen Nederlanders alleen samen. Wat fascinerend eigenlijk dat een zo succesvol poldervolk zoiets als de stikstofcrisis maar niet de baas kan worden – maar dat terzijde.
Misschien zijn we een beetje verwend geraakt door welvaart. Het idee van burgerplicht is een beetje een christendemocratisch relict geworden. Slechts in de politieke marge zijn oproepen tot activisme hoorbaar. Opkomend zijn politici die gemakkelijke oplossingen in de aanbieding hebben. Ik lees nog eens het grote onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau naar ‘solidariteit in Nederland op het gebied van wonen’. De geïnterviewde Nederlanders belijden hun geloof in de solidariteit. Allemaal vinden ze de bevoordeling van kopers met hypotheekrenteaftrek een groot probleem. De politiek moet dat maar eens oplossen, zeggen ze. Op die manier besteden we de solidariteit aan anderen uit. Maar in het stemhokje – onze ‘aanbesteding’ c.q. de ‘uitvraag’ aan de volksvertegenwoordigers – blijkt solidariteit toch niet altijd de hoogste prioriteit te genieten.
Herontdekt ideaal
Als het goed gaat met de volkshuisvesting zou dit alles niet zo’n probleem zijn. Maar er is nieuwe woningnood. De kloof tussen koop en huur is de nieuwe ongelijkmaker in de samenleving. Er zijn onveilige wijken, waar de problemen zich ophopen. En we staan pas aan het begin van een gigantische verduurzamingsopgave. Je kunt dan wachten tot de nood zo hoog is dat mensen weer samen in actie komen. Dat is een beproefde strategie in de geschiedenis, maar die kan wel gepaard gaan met onnoemelijk veel ellende. Daarom is het zo goed dat het ideaal van de volkshuisvesting is herontdekt. Nieuwe acties beginnen vaak met opnieuw dromen. Nieuwe daden beginnen vaak met woorden. En binnenkort begint een nieuwe staatscommissie die nadenkt over de euro’s die horen bij dit verhaal. En laten we toegeven dat we nog niet zo goed weten hoe je van iets institutioneels weer iets gezamenlijks maakt. Hoe we het ‘volk’ terugbrengen in de volkshuisvesting. Laten we maar eens flink experimenteren.

Team van werkers op een organische boerderij. Robert Kneschke/Shutterstock.
Daarom is het zo goed dat ontwikkelaars en architecten in hun ontwerpen zoeken naar nieuwe vormen van ontmoeting, zoals de gemeenschappelijke tuin. Daarom is het zo belangrijk dat er pogingen gedaan worden om de woningzoekenden een formele stem te geven. Daarom is de herontdekking van de wooncoöperatie zo interessant. Daarom word ik blij als mensen nadenken hoe we al die miljarden aan pensioenbeleggingen en erfenissen kunnen inzetten voor nieuwe maatschappelijke initiatieven. Het houdt me ook bezig in mijn eigen werk, bij Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland. Die visitaties zijn een initiatief van vooruitstrevende woningcorporaties. En ook voor dit maatschappelijk initiatief geldt dat het institutionaliseert als we de tijd zijn werk laten doen. We zoeken daarom naar vernieuwing zodat visitaties ook in de toekomst bij blijven dragen aan een uitdagende reflectie op de maatschappelijke prestaties en op de maatschappelijke verankering van woningcorporaties.
Van krot naar Vinex: het is meer dan een eeuw hard werken geweest. Alle echte verandering vraagt tijd. Laten we, juist daarom, geen dag verspillen.
Verder lezen
De publicatie ‘Wonen, wonen, wonen’ is uitgegeven door Uitgeverij Boom.
Foto header: Minister Berend Jan Udink geeft de sleutel van de tweemiljoenste woning aan de bewoners in Apeldoorn. Picryl, fotocollectie Nationaal Archief, Bert Verhoeff.
Eén reactie
Hebben we echt zo’n succesvol poldermodel? We hebben ook eeuwenlang lopen bakkeleien en waren niet te beroerd om de dijken bij een ander door te steken om zelf droge voeten te houden. Bij Veenendaal ligt een dijk op de provinciegrens van Utrecht. Als Gelderland de dijk bij Wageningen niet onderhoudt dan mogen ze het water houden. Daarom luidt het gebed van de waterschappen: ‘Heer, geef ons heden ons dagelijks brood en zo nu en dan een watersnood.’ Wij komen pas in aktie als het misgaat. Dat poldermodel, dat is een mythe van een volk dat zichzelf graag op het voetstuk hijst, maar daar feitelijk weinig recht toe heeft.